close
  • dinsdag 7 juli
Zorg en Zekerheid

Help! Naar de tandarts…

Help! Naar de tandarts…

Tietia Feikens
‘Alledagjes’
19-6-2017

Vorige week was het weer zover: mijn halfjaarlijks bezoek aan de tandarts. Hoe ouder ik word, hoe meer ik er tegenop ga zien. Het grootste gedeelte van mijn leven wipte ik binnen no-time weer uit de tandartsstoel omdat er niets aan mijn gebit hoefde te gebeuren. Ook wist ik dat alle indianenverhalen die mensen elkaar vertellen bijna nooit waar zijn. Dus zonder angst en met blind vertrouwen gaf ik me over. Maar die tijd is voorbij. Tegenwoordig begint mijn niet zo heel jonge gebit barstjes en gebreken te vertonen. Vaak moet er geprikt, geboord, gekrabd en/of gepolijst worden. En nu heb ook ik last van angst voor de tandarts, evenals duizenden andere mensen.

Ik leg mijn handen losjes in mijn schoot. Zodra ik vuisten van mijn handen maak, span ik al mijn spieren aan en dat is beter van niet. Daarom focus ik me op mijn ontspannen handen.
Ik kijk rond. Op het plafond zit een plaat waar een wirwar van figuren op staat. Het is de bedoeling er zoveel mogelijk dieren in te ontdekken. Dat vereist concentratie. En als je daar mee bezig bent ben je minder bezig met wat er in je mond gebeurt. Die plaat irriteert me, ik heb er geen geduld voor en ik kijk naar het instrumentarium. De console met alle verschillende boren en een tray met een sonde, een spiegel en andere benodigdheden, de inrichting van de spreekkamer. Gek dat er in bijna 40 jaar zo weinig veranderd is.

Negentien was ik en ik kreeg een baan bij een tandarts. Niet gehinderd door enige voorkennis kon ik alleen maar opgelucht adem halen dat ik niet meer naar, de door mij zo gehate, school hoefde. Ik had geen idee waar ik aan begon. Dat werd me al akelig snel duidelijk toen we iemand in de stoel kregen die zijn hele gebit wilde laten trekken, hij ging trouwen. In die tijd iets wat nog regelmatig voorkwam: een volledige prothese als je ging trouwen. Ik moest een geel plastic bakje vast houden waar mijn baas één voor één de, soms nog gave, kiezen en tanden in liet vallen. Vlak voor mijn gezicht voltrok zich, tot mijn afgrijzen, een bloederig drama. Ik weet nog dat ik dacht: oh god, dit ga ik nooit volhouden! Maar ik zette door en kreeg enorm veel plezier in het vak van tandartsassistente. Ik bleek er voor in de wieg gelegd, volgens mijn baas. Ik maakte ontzettend veel grappige dingen mee en al die vreselijke horror-story’s die mensen elkaar vaak vertellen bleken niet waar.

Hoewel ik later echt een goede assistente werd heb ik me door mijn begintijd heen geblunderd. Zo moest ik met een canule water leren afzuigen in de mond van een patiënt. Het ding zat vast aan een grote slang en het vereiste nogal wat handigheid om dit goed te doen en dan ook nog op een manier dat de patiënt er geen last van had. Dat viel nog niet mee. Vaak schoten mensen kokhalzend overeind als ik, fffrrrrlllt, hun huigje meezoog. Mijn baas heeft me in al die jaren nooit in de aanwezigheid van patiënten aangesproken op de fouten die ik maakte. Waarvoor ik hem nog altijd dankbaar ben. Maar ik zag vaak zijn wenkbrauwen omhoog schieten en zijn gezicht langzaam verkleuren naar donkerrood als ik weer eens een stunt uithaalde. Zoals die keer dat ik een wesp in de spreekkamer rond zag vliegen. Ik ben als de dood voor wespen! Ik hield het kreng vanuit mijn ooghoeken goed in de gaten en toen hij dichtbij genoeg was…flurp!…zoog ik hem zo op in de canule, waarna ik mijn afzuigwerk voortzette in de mond van de patiënt. Deze keer zag ik mijn baas naar adem happen en zijn gezicht werd bijna paars. Natuurlijk had ik, druif die ik was, er helemaal niet bij nagedacht wat er had kunnen gebeuren als die wesp in de mond van de patiënt was beland. Gelukkig slaagde ik er in, zonder ongelukken, door die lastige beginperiode heen te komen.

Het werk kostte me steeds minder moeite en ik genoot enorm van het contact met de mensen en de hilarische situaties die ik met ze meemaakte. Zoals die keer dat er een meneer langs kwam die een half jaar geleden een prothese had laten maken en die toch nog een paar pijnlijke plekjes had waar het kunstgebit op de kaak drukte. Hij ging in de stoel zitten en mijn baas zei, op de prothese wijzend ‘haal hem er maar even uit’. De meneer keek mijn baas niet begrijpend aan ‘eruit halen?’ ‘Ja, zei mijn baas, zoals je dat thuis ook altijd doet’. ‘ Ehm…maar dat heb ik nog nooit gedaan’…wijfelde de meneer. Hij had werkelijk geen idee gehad, dat je zo’n ding ook wel eens schoon moet maken. Ik kan me tot op de dag van vandaag nóg de geur herinneren die de spreekkamer vulde toen mijn baas het gebit uit de mond van de meneer nam. Brrrrr!

Een andere keer stampte er om 16.00u ’s middags een kraanmachinist de spreekkamer binnen, terwijl ik al aan het schoonmaken en opruimen was. Hij had onlangs een kunstgebit bij ons laten maken. ‘Je moet me helpen, ik verrek godverdommme van de pijn!’ raasde hij. ‘Doe er nog wat van die zalf in die je baas ook gebruikt’ gebood hij me. ‘Maar dat mag ik zelf niet doen, zei ik, daarvoor zult u toch echt een afspraak moeten hebben’. De man werd razend en vloekte alles bij elkaar. ‘ Én, schreeuwde hij, mijn kraan staat hier voor de deur, ik blokkeer de hele Groningerstraatweg!’ Ik schoof de lamellen opzij en zag inderdaad een metershoge kraan midden op de rijweg en allemaal toeterende auto’s in de opstopping daar omheen. Ik wist niet hoe snel ik die tube zalf moest pakken en smeerde een flinke klodder in het kunstgebit. Mijn baas heeft het nooit geweten en de machinist hebben we nooit weer terug gezien.

Mijn oom had ook een kunstgebit laten maken bij ons. Maar na twee weken maakte hij een afspraak, hij was helemaal niet tevreden. Ontevreden klanten hadden we zelden en ik vond het vervelend dat het nu juist mijn oom was. Hij kwam de spreekkamer binnen en ik vond hem er heel vreemd uit zien. Z’n bovenkaak en lip stonden veel te ver naar voren. ‘ Utfv pfaft niet’ zei oom, ‘ utv fit niet wekker en ik ben hewemaauw miep tevweden!’ Mijn baas liet oom in de stoel achterover zakken, duwde een keer hard tegen het gebit aan en dit plopte met een vacuüm-zuig geluid om de kaak heen. Oom had twee weken met zijn gebit op half zeven gelopen! Ik kwam niet meer bij! Hij ook niet trouwens en ook mijn baas had tranen van het lachen in zijn ooghoeken.

Nu zijn dit verhalen over kunstgebitten, terwijl het grootste deel van de werkzaamheden van mijn baas bestond uit controles, het vullen van caviteiten ( gaatjes ), zenuwkanaalbehandelingen en het trekken van een enkele kies of tand. Daar kan ik ook nog wel smeuïge verhalen over vertellen. Wie weet een andere keer. Maar nu lag ik zelf in de stoel, met de kriebels in de buik. Even bang als ieder ander. Want ook al is er van al die tandarts-volksverhalen niets waar, je weet het maar nooit….

Tietia Feikens

Geschreven door: Redactie

Abonneer op de nieuwsbrief

Volg ons via Facebook